»
kolven met de hand»
online communities»
kostenbesparingen borstvoeding in UK doorgerekend»
Tongriempje en borstvoeding»
Op middelbare leeftijd minder overgewicht»
Omgaan met ontroostbaar huilen en kritiek op de richtlijn»
Moederinstinct en wetenschap»
Kraamsuites en hypoglycemie»
Minder ziekenhuisopnames bij borstvoeding»
Opvoeding en huilen»
De WHO over de zorg voor zuigelingen»
Recent WHO overzicht van de problematiek rond voeding voor kinderen met een laag geboortegewicht»
Peiling Melkvoeding Zuigelingen 2007; de relatie met certificering door Zorg voor Borstvoeding»
Langdurig bloot huid op huid contact: vuistregel 4»
Nieuwe groeicurves van de WHO»
Het knippen van het tongriempje goed voor borstvoeding»
Zuigverwarring, een achterhaald concept?»
Het standpunt over borstvoeding van de kinderartsen in de VS»
Het standpunt over borstvoeding van de kinderartsen in de VS»
WHO: bestaande groeicurven leiden tot overgewicht bij kinderen»
Borstvoeding en artritis»
BFHI certificering leidt ook tot meer borstvoeding op de afdeling neonatologie»
Tegenstrijdige geluiden over samen slapen van moeder en baby»
Onderzoeken naar de kosten in de gezondheidszorg gerelateerd aan kunstmatige zuigelingenvoeding»
Onderzoek naar het effect van lactatiekundige hulp op een afdeling Neonatologie»
Promotie-onderzoek naar de voeding van baby's in Nederland»
Een bron van informatie over de verschillen tussen borstvoeding en kunstvoeding»
Drie onderzoeken naar de methode van bijvoeding geven aan prematuur geboren baby»
Wetenschappelijke misser in de Lancet»
Een onderzoek naar het BFHI en het in de steek laten van pasgeboren baby»
WHO rapport over de voedingswaarde van uitsluitend borstvoeding»
Langer borstvoeding geven verlaagt het risico op borstkanker»
IGZ bulletin: Uitgangspunten voor de voedingsadvisering voor kinderen van 0-4 jaar»
Wel of geen fopspeen. Maakt het echt wat uit? Een Zweeds onderzoek»
Effecten van een beter borstvoedingsbeleid in Wit-Rusland»
Het Baby Friendly Hospital Initiative in een groot academisch ziekenhuis in de VS»
Borstvoedingscijfers en bijscholing in de gezondheidszorg: ervaringen in Itali»
Toon oudere berichten
In het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde is begin 2010 een klinische les gepubliceerd met de titel ‘Problematische borstvoeding door een te korte tongriem'. Hierin worden eerst twee patiëntjes besproken en daarna wordt ingegaan op diagnose, gevolgen, beloop en behandeling van een te korte tongriem. Zoals de titel al aangeeft staat het negatieve effect van deze ankyloglossie op borstvoeding centraal. Aanhoudende tepelproblemen komen voor bij 36 tot 80% van de moeders van baby's met een korte tongriem, terwijl dat bij slechts 3% van de moeders het geval is als de baby een normaal tongriempje heeft. Om borstvoedingsproblemen te kwantificeren kan men gebruikmaken van de ‘LATCH' score; daarbij wordt gekeken naar de manier van aanhappen, hoorbaar slikken, het type tepel, het welbevinden van moeder en de mate waarin hulp bij het voeden nodig is. Het aspect van de tongriem (tot vlak bij de tongpunt), een V-vormige tong bij optillen en een hartvorm bij uitsteken, wijzen op een te korte tongriem als mogelijke oorzaak van problemen. De behandeling, het inknippen van de tongriem met een paar millimeter, is bij jonge baby's eenvoudig en snel en vereist geen pijnstilling. Omdat de baby de tong daarna veel beweegt tijdens de voedingen is er evenmin risico van adhesievorming. Uit gerandomiseerd onderzoek in het Verenigd Koninkrijk blijkt dat bij 27 van de 28 moeders de tepelproblemen snel verdwenen na de frenulotomie. Ook in Nederland doet men steeds meer ervaring op met deze ingreep. Voortijdig stoppen met borstvoeding kan ermee voorkomen worden.
Erica D.M. Post et al. Problematische borstvoeding door een te korte tongriem. Ned Tijdschr Geneeskd 2010;154:A918
http://www.ntvg.nl/publicatie/problematische-borstvoeding-door-een-te/volledig
Terug naar boven
Parenting unraveled: predictors of infant attachment and responses to crying
Dortheé Out
In dit proefschrift (verdedigd in maart 2010) staat ouderschap in de vroege kindertijd centraal, onder andere de reacties van volwassenen op het huilen van baby's. Voor baby's is huilen één van de belangrijkste manieren om te communiceren. Zo laten ze weten dat ze ergens behoefte aan hebben of zich niet lekker voelen. Maar niet alle ouders reageren op een sensitieve, liefdevolle manier: voor sommige is het huilen van hun kind zo stressvol dat ze eerder op een hardhandige wijze reageren. In deze studie is onderzocht hoe volwassenen reageren op het huilen van een baby. Daarbij werd een standaard huilfragment van een pasgeboren kind gemanipuleerd en op verschillende hoogten afgespeeld. De toonhoogte van het huilgeluid en de manier waarop volwassenen het huilen interpreteren, bleken belangrijk te zijn. Hoge huilgeluiden werden als dringender ervaren en dat leidde tot meer actieve en sensitieve reacties. Anderzijds lokten hoge huilgeluiden ook meer hardhandige reacties uit. Zieke en premature kinderen hebben vaker zulke hoge huiltonen. Ook is onderzocht of verschillen in reactie op huilen erfelijk zijn. Dat is inderdaad het geval, maar niet voor alle aspecten van reageren op huilen. Verschillen in sensitieve reacties waren erfelijk bepaald, maar de neiging om afwijzend, negatief of hardhandig te reageren niet; omgevingsinvloeden en stress zijn daarbij belangrijker.Extreem insensitief gedrag van de ouders moet tijdig gesignaleerd worden, omdat het een risico vormt voor de ontwikkeling van het kind en een veilige hechting in gevaar brengt. Interventies om sensitief ouderschap te bevorderen zijn belangrijk, maar moeten wel gebaseerd zijn op wetenschappelijk onderzoek. Zo worden vaak incorrecte adviezen gegeven over omgaan met ontroostbaar huilen. In dit licht is er reden tot zorg over de recent gepubliceerde richtlijnen voor de aanpak van excessief huilende baby's (ActiZ 2007). Hoewel deze richtlijnen zijn aangehouden worden ze nog steeds toegepast. Ouders krijgen het advies niet (snel) te reageren op hun huilende baby. Wetenschappelijk onderzoek heeft echter aangetoond dat deze baby's moeite hebben met het reguleren van stress. Sensitieve zorg lijkt voor deze kinderen juist extra belangrijk.
Terug naar boven
Eugenie van Ruitenbeek vertelt haar ervaring in Goed Gevoed van maart 2009, maar vanwege plaatsgebrek is de tekst wat ingekort. Het volledige artikel vindt u
hier.
Terug naar boven
Moeder en kind zijn steeds bij elkaar in de
kraamsuites.
Dat is heerlijk voor ouders en baby, maar blijkt ook gunstig voor het terugdringen van hypoglycemie.
Terug naar boven
Ziekenhuisopname is een indicatie voor de ernst van ziekte en gaat gepaard met hoge, meetbare kosten. Hieronder informatie over drie publicaties.
In 2003 is een meta-analyse gepubliceerd van zeven onderzoeken naar de relatie tussen ziekenhuisopname vanwege ernstige luchtweginfecties en borstvoedingsduur. In al deze onderzoeken was sprake van tenminste vier maanden uitsluitend borstvoeding en een welvarende populatie; prematuur geboren baby's waren uitgesloten. Na correctie voor sociaaleconomische variabelen en rookgedrag blijkt dat het risico op opname in het ziekenhuis voor ernstige luchtweginfecties meer dan drie maal zo groot is voor baby's die geen borstvoeding hadden gekregen, vergeleken met de kinderen die vier maanden uitsluitend borstvoeding hadden gehad.
http://lib.bioinfo.pl/auth:Bachrach,LRNaar aanleiding hiervan hebben Spaanse onderzoekers in 2006 gekeken naar een groep van 1385 kinderen tot een jaar oud. Van deze kinderen zijn er 78 in het ziekenhuis opgenomen vanwege infecties, gemiddeld toen ze ruim vier maanden oud waren. Behalve de borstvoedingsduur hield men rekening met andere variabelen zoals: geboortegewicht, bevalling, leeftijd en opleidingsniveau van de moeder, roken en andere kinderen in het gezin. Analyse van de gegevens laat een significante relatie zien tussen meer ziekenhuisopnamen en kortere duur van de borstvoeding; ook prematuriteit, roken door moeder, geboortegewicht < 3 kg en de aanwezigheid van andere kinderen speelden een rol. Het risico op ziekenhuisopname bleek 4,9 keer zo hoog als kinderen geen borstvoeding hadden gekregen en 2,45 keer zo groot bij minder dan vier maanden borstvoeding.
Als alle kinderen tenminste vier maanden borstvoeding kregen zou dat volgens de auteurs 56,4% van de ziekenhuisopnamen voor infectie in het eerste jaar voorkomen.
http://pediatrics.aappublications.org/cgi/reprint/118/1/e92In 2007 is in het kader van de United Kingdom Millennium Cohort Study onderzoek gepubliceerd, gebaseerd op de gegevens van 15.890 kinderen, geboren in 2000-2002; meerlingen, prematuur geboren kinderen en baby's die kort na de geboorte opgenomen waren bijvoorbeeld vanwege geelzien werden uitgesloten.
Van deze grote groep kinderen was 12% de eerste acht maanden tenminste een keer in het ziekenhuis opgenomen. Het risico op ziekenhuisopname bleek aanzienlijk kleiner voor kinderen die uitsluitend borstvoeding kregen vergeleken met degenen die geen borstvoeding kregen. De onderzoekers concluderen dat elke maand 53% van de ziekenhuisopnames voor diarree voorkomen kan worden als alle kinderen uitsluitend borstvoeding krijgen, en 31% bij gedeeltelijk borstvoeding. Voor de lage luchtweginfecties zijn de preventiepercentages 27% en 25% bij uitsluitend of gedeeltelijk borstvoeding.
Borstvoeding beschermt in een welvarend land tegen ernstig ziek worden, met name als kinderen uitsluitend en langdurig moedermelk krijgen. De WHO/UNICEF aanbeveling om zes maanden uitsluitend borstvoeding te geven wordt hiermee opnieuw onderbouwd. Het is volgens de auteurs van dit artikel van groot belang voor de volksgezondheid dat de percentages uitsluitend en langdurig borstvoeding stijgen. De resultaten van dit onderzoek kunnen gebruikt worden om investeringen in de bevordering van borstvoeding af te zetten tegen de kosten van geen borstvoeding. Bovendien kunnen ouders op basis van deze gegevens betere afwegingen maken bij hun keuze voor de voeding van hun baby.
http://pediatrics.aappublications.org/cgi/reprint/119/4/e837.pdf
Terug naar boven
In een vergelijkend longitudinaal onderzoek is gekeken naar de effecten van uiteenlopende opvoedingsstijlen op huilen en slapen van baby's tot 14 weken. Drie groepen zijn vergeleken: de gebruikelijke Londense aanpak (L), de normale opvoeding in Kopenhagen (K) en een groep ouders uit beide landen aan wie werd gevraagd ‘dichtbijzorg' toe te passen (D). Met dit laatste wordt bedoeld: de baby krijgt veelvuldig de borst, wordt tussen 8 uur 's ochtends en 8 uur 's avonds gedurende minstens 80% van de tijd vastgehouden en de ouders reageren snel op huilen. De standaardomgang met baby's zou naar verwachting in Kopenhagen meer kindgericht zijn (minder laten huilen, meer dragen) dan in Londen, gezien de cultuur in beide landen.
Toen de baby's 12 weken oud waren kreeg in Londen nog 37% uitsluitend borstvoeding; in Kopenhagen 70% en in de D groep 85%.
Maar hoe is de relatie met huilen en slapen? Kinderen van vijf en tien weken oud huilden 50% meer in groep L, waar minder snel op hen gereageerd werd; met tien dagen huilde in groep L 17% van de baby's langer dan drie uur per etmaal en in beide andere groepen kwam dat nauwelijks voor: 2 en 1%.
Excessief en ontroostbaar huilen kwam in alle groepen ongeveer even veel voor en was met twaalf weken afgenomen; de manier van omgaan met huilen maakte dus niet uit: alles is goed en ouders hoeven zich volgens de auteurs niet schuldig te voelen dat ze iets niet goed doen. De hypothese was inderdaad dat ontroostbaar huilen evenveel zou voorkomen in de drie groepen, omdat het te maken heeft met de neurologische ontwikkelingen rond de zes weken.
Tenslotte concluderen de onderzoekers dat deze resultaten professionals informatie verschaffen, waarmee ze ouders kunnen helpen een gefundeerde keuze te maken over opvoedingsstijl. Bovendien is hiermee de stelling onderbouwd dat de traditionele Engelse (Nederlandse?) omgang met baby's leidt tot meer huilen.
I. St James-Roberts et al. Infant crying and sleeping in London, Copenhagen and when parents adopt a ‘proximal' form of care. Pediatrics; 117;e1146-e1155.
Terug naar boven
In
dit rapport leest u goed gedocumenteerde achtergrondinformatie over het belang van 'Caregiver Child Interactions' voor de gezonde ontwikkelingen van jonge kinderen.
Terug naar boven
De WHO heeft in 2007 een uitvoerig rapport uitgebracht over alle aspecten van optimale voeding voor kinderen met een laag geboortegewicht. U kunt
hier downloaden. De samenvatting op de eerste zes bladzijden geeft een goed overzicht.
Terug naar boven
Borstvoeding heeft baat bij goede zorgVrouwen die in de kraamtijd goed begeleid worden geven vaker borstvoeding dan degenen die de standaard zorg krijgen. Dit blijkt uit onderzoek van TNO Kwaliteit van Leven onder bijna 3000 moeders met een baby jonger dan zes maanden.
Borstvoeding is de beste voeding voor de gezondheid van moeder en kind ook in een welvarend land als Nederland. Flesgevoede zuigelingen hebben een groter risico op oor- en luchtweginfecties, diarree en allergieën en worden vaker in het ziekenhuis opgenomen. Er zijn sterke aanwijzingen dat flesvoeding het risico op overgewicht vergroot en dat suikerziekte op oudere leeftijd (type 2 diabetes) vaker voorkomt als men geen borstvoeding heeft gehad.
Onderzoek van TNO naar borstvoeding in Nederland laat nu zien dat WHO/UNICEF certificering door Zorg voor Borstvoeding een positief effect heeft op het geven van borstvoeding bij de start en op de achtste dag.
Kraamzorg en ziekenhuizen kunnen het WHO/UNICEF certificaat verwerven als ze beantwoorden aan internationaal geldende kwaliteitsnormen. In Nederland krijgt inmiddels ruim 90% van de moeders en kinderen deze gecertificeerde kraamzorg thuis; in de ziekenhuizen is dat 21%.

Van de groep moeders die gecertificeerde kraamzorg kreeg startte 84% met borstvoeding tegenover 79% in de groep die niet gecertificeerde kraamzorg kreeg. Ook de vraag of de moeder is bevallen in een al dan niet gecertificeerd ziekenhuis en de eventuele opnameduur bepaalt de groep waartoe zij behoort.
Op de achtste dag na de bevalling is in beide groepen het borstvoedingpercentage gedaald. Op dat moment geeft nog 72% van de moeders met gecertificeerde kraamzorg uitsluitend borstvoeding tegen 62% in de niet certificeerde groep. Ook na correctie voor achtergrondvariabelen bleef het verschil statistisch significant (OR 1,30; 95% BI 1,03-1,66). De kans om nog borstvoeding te geven op dag 8 is met gecertificeerde kraamzorg dus 1,3 maal zo groot.
In de grafiek is te zien dat de daling van het borstvoedingpercentage in de gecertificeerde groep minder snel gaat dan in de niet gecertificeerde groep. In deze laatste groep zitten bijvoorbeeld ook de vrouwen die langer dan drie dagen in een niet gecertificeerd ziekenhuis verbleven.
Behalve certificering maakt ook de plaats van de bevalling verschil: na een thuisbevalling is de kans op borstvoeding beduidend groter.
Borstvoedingpercentages 2007In 2007 is het percentage moeders dat start met borstvoeding hoger dan in 2005.
De snelle daling in de eerste maand blijft echter aanwezig. Van de kinderen van één maand oud krijgt nog 48% borstvoeding, terwijl 81% start. Dat betekent dat van de acht moeders die starten met borstvoeding er gemiddeld drie stoppen voordat het kind een maand oud is. Als reden om te stoppen noemen vrouwen in de eerste maand vaak ‘te weinig melk', hetgeen mogelijk een sociaal wenselijk antwoord is. Ook de combinatie met werken buitenshuis is in 2007 meer dan bij vorige peilingen als een obstakel ervaren.

Bovendien wordt in toenemende mate aangegeven dat borstvoeding pijnlijk is. Het is belangrijk dat medewerkers in de zorg op deze voor vrouwen belangrijke klacht een goed antwoord kunnen geven. Dit pleit voor voldoende en adequate begeleiding bij borstvoeding. Door het relatief kleine aantal deelnemende moeders van kinderen in de leeftijd van zes maanden (n=54) kan TNO KvL in deze peiling geen gefundeerde conclusie trekken over het borstvoedingpercentage bij zes maanden.
De onderzoekers concluderen dat bij een stijging van het borstvoedingpercentage met 1% 1.850 meer moeders én baby's in ons land profiteren van de voordelen van borstvoeding en dat de huidige ontwikkeling als een relevante stijging aangemerkt kan worden.
Terug naar boven
Hieronder staat de samenvatting van een van de lezingen op het SBO congres van 3 oktober 2006. Gynaecologe Gro Nylander sprak daar over de wetenschappelijke onderbouwing van het belang van langdurig ongestoord huid op huid contact tussen de moeder en haar pasgeboren baby. Er worden veel aspecten aangeroerd die allemaal op een andere manier de waarde van dit eerste contact benadrukken. Het zijn aangetoonde feiten die een onderbouwing geven voor een gevoelsmatige benadering, waarbij de professional moeder en kind niet stoort en alle rust en ruimte biedt om zich aan elkaar te gaan hechten. Maar zowel thuis als in het ziekenhuis gaat het nog te vaak anders: met nakijken, meten en wegen en aankleden wordt dit bijzondere proces onnodig verstoord.
Onderaan de tekst vindt u een lange lijst met referenties naar wetenschappelijk onderzoek.
Liefde op het eerste gezicht, geur, smaak en aanraking?
Wetenschappelijke onderbouwing voor het belang van huid op huid contact meteen na de geboorte
Gro Nylander, gynaecoloog, MD, Dr. PHD, Nationaal Borstvoedingscentrum, Rikshospitalet Universiteitsziekenhuis afdeling obstetrie, Oslo NoorwegenBij de meeste zoogdieren is het eerste contact tussen een moeder en haar pasgeborene van levensbelang. Als deze eerste hechting niet ongestoord kan plaatsvinden en niet lang genoeg duurt, zal de moeder haar jong niet voeden en beschermen, en het jong zal zijn moeder niet herkennen en moeite hebben om bij haar te gaan drinken. Mensen zijn geen dieren, maar onze hormonen maken in principe tijdens zwangerschap, baring en lactatie dezelfde veranderingen door als alle andere zoogdieren. Laten we eens kijken naar wat er gebeurt als een pasgeboren baby bij zijn moeder wordt gelegd met huid op huid (hoh) contact, en naar een aantal effecten daarvan op de fysiologie en de psychologie bij moeder en kind, op de borstvoeding en op het gedrag dat zich daarna voordoet. Wat is vandaag de dag de wetenschappelijke onderbouwing voor de stelling dat de kansen op het welslagen van borstvoeding toenemen door langdurig hoh contact meteen na de geboorte, en dat dit ook een positieve invloed heeft op de interactie tussen moeder en kind?
AdemhalingMeteen na de geboorte is het buitengewoon belangrijk dat de baby begint te ademen en dat hij optimaal blijft ademhalen. Dit gebeurt gemakkelijker als hij bij zijn moeder wordt gelegd met hoh contact, in plaats te worden blootgesteld aan de fysiologische stress van een scheiding (1. Christensson et al. 1992). Ook bij prematuur geboren baby's is dit het geval; hun zuurstofgehalte is hoger als ze hoh contact met hun moeder hebben (2. Bergman et al. 2004).
TemperatuurPasgeborenen worden vaak in couveuses of warme bedjes gelegd of in warme doeken gewikkeld, zodat ze hun temperatuur zo goed mogelijk op peil kunnen houden. In een aantal onderzoeken is aangetoond dat hoh contact met de moeder het beste is om te zorgen voor optimale temperatuurregulatie van het kind. Een baby die in het ‘moedernest' ligt, gevormd door borst en armen, zal warmer zijn dan de baby die in een warm bedje wordt gelegd. (1,2). Een van de oorzaken hiervan is het feit dat de borst van de moeder warmer wordt tijdens hoh contact, en dat melkproducerende borsten warmer zijn dan borsten die geen melk produceren (3. Uvnäs-Moberg 2000).
Bloedsuiker en stofwisselingLage bloedsuiker, hypoglykaemie, komt een uur na de geboorte of daarna vaak voor. Baby's die hoh contact met hun moeder hebben, of ze nu voldragen of prematuur zijn, houden hun glucosegehalte in het bloed beter op peil, zelfs zonder voeding. Dit kan te maken hebben met een betere bloedcirculatie, aangezien de kleine bloedvaten samentrekken bij baby's die in een bedje liggen, hetgeen met name leidt tot koudere handen en voeten. Dat vraagt meer energie. De energiehuishouding van de moeder ondergaat ook veranderingen tijdens het hoh contact vlak na de bevalling (4. Uvnäs-Moberg et al. 1989).
HuilenPasgeborenen die de eerste uren van hun moeder gescheiden worden, huilen veel meer dan baby's bij hun moeder blijven met hoh contact. Als ze weer bij hun moeder worden gebracht, houden ze meestal op met huilen. Bij dieren komt dit veel voor en bestaat er een term voor: ‘roep uit scheidingsnood'. Ook bij mensen klinkt dit huilen duidelijk anders dan huilen vanwege honger of pijn. Huilen veroorzaakt niet alleen onrust bij de baby en de omgeving, maar het vergt ook energie (5. Michelson et al. 1996).
GeluidZelfs voor de geboorte kan de foetus zijn moeders stem heel precies waarnemen. De meeste pasgeborenen maken na korte tijd kleine ‘roepende' geluidjes, die normaal gesproken leiden tot een reactie van de moeder. De menselijke stem lijkt een sturend effect te hebben op de hersenen in ontwikkeling (6. Fifer, Moon 1994). Moeders herkennen heel snel de geluidjes van hun eigen baby, zelfs in hun slaap.
Zicht
Meteen na de geboorte hebben de meeste baby's een tijdlang hun ogen wijd open. Ze kunnen goed zien en vertonen daarin duidelijke voorkeuren (7. Faroni et al.2005). Stimulering van het kijken snel post partum lijkt de visuele ontwikkeling positief te beïnvloeden (8. Sireteanu 1999). Als je een pasgeborene laat kiezen kijkt hij het liefst naar een gezicht met open ogen op ongeveer 20 cm afstand. Veel baby's kunnen binnen een paar uur na de geboorte al gezichtsuitdrukkingen nadoen. Ze reiken met hun arm eerder naar de borst die ze kunnen zien (9. van der Mee et al. 1996).
Moeders kunnen hun eigen baby heel snel herkennen aan hoe ze eruit zien en men denkt dat oogcontact van cruciaal belang is voor het hechtingsproces. Er is niet veel degelijk onderzoek naar gedaan, maar we weten dat er mensapenmoeders zijn die na de bevalling urenlang hun jong in de ogen blijven staren. Ook mensenmoeders hebben een intense belangstelling voor het kijken naar hun pasgeboren baby.
Gedrag en voedingDe meeste baby's vertonen, als ze geen hinder ondervinden van verdoving en hoh contact met hun moeder hebben, een goed georganiseerd gedrag als voorbereiding op de voeding. Dit gedrag bestaat uit zuigen, zoeken, de borst lokaliseren, ernaar toe ‘kruipen', het hoofd oprichten en tenslotte de tepel en de borst pakken (10. Widstrøm et al. 1987). Deze aangeboren ‘innerlijke instructie' lijkt afhankelijk te zijn van de juiste prikkeling van de zintuigen, namelijk van wat er tijdens hoh contact gebeurt; de meeste zoogdieren kennen een dergelijk vast patroon (11. Varendi et al. 1994). Na deze eerste periode vlak na de geboorte waarin de baby klaarwakker is, volgen dagen waarin hij steeds maar een paar minuten net zo alert is.
AanrakingDe gevoeligheid van de borst en de tepelhof van de moeder wordt kort voor de bevalling sterker en de aanraking door de baby met duwen en strelen veroorzaakt golven van het ‘liefdeshormoon' oxytocine, dat de hersenen overspoelt (1, 4). Baby's zijn erg gevoelig voor aanraking, en ze zijn ervan afhankelijk voor hun welbevinden en ontwikkeling.
SmaakDe manier waarop de pasgeboren baby voorzichtig aan de tepel likt voordat hij de eerste druppel colostrum proeft, bevordert de toeschietreflex die wordt aangestuurd door oxytocine. Een baby die overstuur is en huilt, wordt meestal rustig als hij een paar druppels moedermelk heeft geproefd; dan is hij wel in de stemming voor meer. De meeste moeders verwelkomen hun baby met tal van zachte natte kusjes, als om hem te ‘proeven'. Men denkt dat dit gedrag ertoe leidt dat de moeder haar baby beter kan ruiken en dat het verwant is aan het grondig drooglikken van het jong dat andere zoogdieren doen.
ReukMensen hebben honderden receptoren voor geuren en kunnen onderscheid maken tussen duizenden verschillende luchtjes. De huidkliertjes van de tepelhof hebben een duidelijke geur die voor de pasgeboren baby erg aantrekkelijk is. Het aantal kliertjes lijkt een positieve correlatie te hebben met het gemak waarmee de baby de borst pakt en met de mate van aankomen in gewicht (12. Schaal et al. 2006). De geur van de borst lijkt de functie te hebben van ‘tepelzoek'-feromoon (= lokstof, verleider). Pasgeborenen zullen hun uiterste best doen om zelfs een pluk watten te bereiken die naar de borst ruikt (13. Varendi, Porter 2001). Na een eerste periode van hoh contact zijn de meeste moeders snel in staat om geblinddoekt hun eigen baby te herkennen op basis van de geur. Het reukzintuig werkt anders dan onze andere zintuigen: het is rechtstreeks verbonden aan dat deel van de hersenen dat de emoties aanstuurt, de amygdala.
Basisvertrouwen, hechting en emoties later in het levenKan het een negatief effect op de baby hebben als hij de eerste uren buiten de baarmoeder alleen is en vaak hulpeloos ligt te huilen? We moeten ervoor oppassen geen overhaaste conclusies te trekken of mensen onverkort met dieren te vergelijken. Toch wijst recent onderzoek erop dat hoh contact inderdaad veranderingen teweeg brengt in de hersenen van de mensenbaby en zijn moeder (14. Moriceau, Sullivan 2005). De hersenen van de pasgeborene lijken bij uitstek in staat optimale hechting aan te gaan met de verzorger; en die hechting vormt op zijn beurt weer de basis voor de hersenontwikkeling die een rol speelt bij de vorming van relaties met anderen later in het leven (15. Fonagy, Target 2005). Het is herhaaldelijk aangetoond dat vroeg hoh contact na de geboorte bevorderlijk is voor de hechting en voor een groter gemak in het aangaan van verbintenissen, zowel fysiek als functioneel, later in het leven (16. Sung, Kim 2005). De ontwikkeling van de hersenen vlak na de geboorte kan een levenlang bijdragen aan de ontwikkeling van normaal gedrag (18. Kirsch et al. 2005).
Gevoelens van de moederEmoties zoals zelfvertrouwen en gevoelens van verbondenheid lijken ook beïnvloed te worden door vroeg contact met de pasgeboren baby (17. Ahn, Kim 2005). Het niveau van oxytocine en van bèta-endorfine is bij de moeder tijdens de borstvoeding sterk verhoogd, hetgeen een positief effect heeft op haar gevoel van welbevinden. Oxytocine, het hormoon dat vrijkomt tijdens hoh contact en borstvoeding, leidt ook bij volwassenen tot angstreductie (18. Kirsch et al. 2005). Er zijn verslagen van vrouwen met een post partum depressie die zich minder somber voelen na langdurig hoh contact (19. Dumbrowski et al 2001).
BorstvoedingIn een aantal studies is aangetoond dat er een positieve correlatie bestaat tussen hoh contact na de bevalling en borstvoeding, zowel wat betreft de duur en het gemak waarmee dat gaat, als met de melkproductie (geen bijvoeding) (20. Vaidya et al. 2005). Gelukkig hebben mensen allerlei manieren om zich aan hun kinderen te hechten en van borstvoeding een succes te maken. Niettemin lijkt het verstandig om, als het even kan, het ‘moeder worden' zo makkelijk mogelijk te maken door vroeg hoh contact aan te moedigen. Dit lijkt ook gezondheidsvoordelen te hebben (21. Anderson et al. 2003).
Tijdens de lezing komt aan de orde hoe deze effecten waarschijnlijk tot stand komen, evenals de bijzondere uitdaging om ook na een keizersnee te zorgen dat hoh contact meteen mogelijk is.
Referenties
1. Christensson K. et al. Temperature, metabolic adaptation and crying in healthy full-term newborns cared for skin-to-skin or in a cot. Acta Paediatrica 1992;81:488-93.
2. Bergman, Linley, Fawcus. Randomized controlled trial of skin-to-skin contact from birth versus conventional incubator for physiological stabilization in 1200- to 2199-gram newborns. Acta Paediatr. 2004 Jun;93(6):779-85.
3. Uvnäs-Moberg K. Book about oxytocin: Lugn och berøring. Bokførlaget Natur och Kultur, 2000.
4. Uvnäs-Moberg K. Gastrointestinal hormones in mother and infant. Acta Paediatr Scand.Suppl 1989 ; 351 : 88-93.
5. Michelsson K. et al. Crying in separated and non-separated newborns: sound spectrographic analysis. Acta Paediatr 1996 Apr ; 85(4) : 471-5.
6. Fifer WP, Moon CM. The role of mother's voice in the organization of brain function in the newborn. Acta Paediatr Suppl 1994 ; 397 : 86-93.
7. Farroni T. Et al. Newborns' preference for face-relevant stimuli: effects of contrast polarity. Proc Natl Acad Sci U S A. 2005 Nov 22;102(47):17245-50.
8. Sireteanu R. Switching on the infant brain. Science. 1999 Oct 1;286(5437):59, 61.
9. Van der Meer A.L.H. et al.(1996). Gravitational know-how in neonates. Scandinavian Journal of Psychology, 37, 424- 437.
10. Widstrom AM. Et al. Gastric suction in healthy newborn infants. Effects on circulation and developing feeding behaviour. Acta Paediatr Scand 1987 ; 76(4) : 566-72.
11. Varendi H. Etal. (1994). Does the newborn baby find the nipple by smell? Lancet (344): pp. 989-90.
12. Schaal B. et al. Human breast areolae as scent organs: morphological data and possible involvement in maternal-neonatal coadaptation. Dev Psychobiol. 2006 Mar;48(2):100-10.
13. Varendi H, Porter RH. Breast odour as the only maternal stimulus elicits crawling towards the odour source. Acta Paediatr. 2001 Apr;90(4):372-5.
14. Moriceau S, Sullivan RM. Neurobiology of infant attachment. Dev Psykobiol. 2005;47(3):230-42.
15. Fonagy P, Target M. Bridging the transmission gap: an end to important mystery of attachment research? Attach Hum Dev 2005;7(3):333-43.
16. Sung MH, Kim MK. A study of the effects of behaviour contact in early mother-infant attachment. Taehan Kanho Hakhoe Chi. 2005;35(5):842-9.
17. Ahn YM, Kim MR. The relationship between early neo-maternal exposure, and maternal attachment, maternal self-esteem and postpartum depression in the mothers of NICU infants. Taehan Kanho Hakhoe Chi. 2005;35(5):798-809.
18. Kirsch P. et al. Oxytocin modulates neural circuitry for social cognition and fear in humans. J Neurosci. 2005 Dec 7;25(49):11489-93.
19. Dombrowski MA. Et al. Kangaroo (skin-to-skin) care with a postpartum woman who felt depressed. MCN Am J Matern Child Nurs. 2001 Jul-Aug;26(4):214-6.
20. Vaidya K. et al. Effect of early mother-baby close contact over the duration of exclusive breastfeeding. Nepal Med Cool J 2005; 7 (2) 138-140.
21. Anderson GC. Et al. Early skin-to-skin contact for mothers and their healthy newborn infants. Cochrane Database Syst Rev 2003;CD003519.
Terug naar boven
De WHO heeft groeicurves ontwikkeld voor baby's en kinderen tot vijf jaar. De gangbare curves laten zien hoe kinderen gemiddeld groeien, maar deze nieuwe curves gaan verder: ze geven aan hoe kinderen moeten en kunnen groeien als ze een optimale start maken. Groei is een belangrijke maatstaf voor gezondheid. Na langdurig onderzoek in verschillende regio's in de wereld concludeert de WHO dat kinderen van uiteenlopende etnische achtergrond potentieel binnen dezelfde marges groeien. Kijk voor meer informatie en achtergrondartikelen op
new growth standards.
Alle curves, ook voor Body Mass Index voor kinderen tot vijf jaar vindt u hier: download the
growth charts. Onder de 'Standards' staat daar bij 'documentation' ook het supplement bij de Acta Paediatrica met tien interessante artikelen over deze WHO studie:
Acta Paediatrica Supplement.
Terug naar boven
Uit gerandomiseerd onderzoek is gebleken dat een te strak tongriempje veilig geknipt kan worden en dat deze ingreep een positiever effect heeft op het welslagen van de borstvoeding dan alleen intensieve ondersteuning door een lactatiekundige. 57 baby's met een kort, strak tongriempje en daarmee samenhangende problemen met borstvoeding werden willekeurig in twee groepen ingedeeld: de ene groep werd onmiddellijk behandeld door middel van het knippen van het tongriempje, de controlegroep van 29 baby's en hun moeders kregen gedurende 48 uur intensieve lactatiekundige ondersteuning.
In deze groep was een baby daardoor goed geholpen en hij kreeg uiteindelijk acht maanden borstvoeding, maar de overige 28 kinderen hadden er geen baat bij. Na 48 uur kregen de moeders van deze baby's het aanbod om het tongriempje te laten klieven en ze gingen daar allemaal mee akkoord. Van de 28 baby's dronken 27 (96%) na de ingreep normaal aan de borst.
In de interventiegroep van 28 kinderen, die meteen geknipt waren, dronken 27 kinderen normaal aan de borst en een baby bleef een tepelhoedje nodig hebben (P<0,001). Het eindresultaat is dus dat 54 van 57 kinderen, die vanwege het strakke tongriempje borstvoedingsproblemen hebben, uiteindelijk goed aan de borst drinken nadat het tongriempje is geknipt.
M. Hogan et al. Randomized, controlled trial of division of tongue-tie in infants with feeding problems. J of Pediatrics and Child Health. 2005; 41: 246
http://www.blackwell-synergy.com/doi/abs/10.1111/j.1440-1754.2005.00604.x?cookieSet=1
Terug naar boven
De NOMAS werkgroep van logopedisten heeft in 2004 een standpunt naar buiten gebracht over tepel-speen verwarring bij gezonde op tijd geboren baby's, waarin wordt aanbevolen om de baby met de fles bij te voeden als tijdelijk geen borstvoeding kan worden gegeven. De wetenschappelijke onderbouwing voor dit nieuwe advies overtuigt ons niet.
Bij de opstelling van de 10 vuistregels begin jaren '90 was het inderdaad lastig voldoende goed onderzoek te vinden met betrekking tot vuistregel 9: "aan pasgeborenen die borstvoeding krijgen wordt geen speen of fopspeen gegeven". De ervaringen van professionals hebben, naast overwegingen van hygiëne, zeker ook een rol gespeeld bij deze aanbeveling van UNICEF en de WHO. Dat betekent anderzijds echter niet dat je zonder schade kunt ingrijpen in de natuurlijke gang van zaken, te weten: borstvoeding aan de borst. In feite dient dan eerst afdoende aangetoond te worden dat bijvoeden met fles en speen geen negatief effect heeft op het welslagen en de duur van de borstvoeding.
In 2003 is een studie gepubliceerd naar de validiteit van vuistregel 9, waarin wordt gekeken of het gebruik van spenen en fopspenen een nadelig effect heeft op de borstvoeding. In een gerandomiseerd onderzoek onder 700 gezonde voldragen pasgeborenen is vastgesteld dat bijvoeding op zich nadelig is voor de borstvoedingsduur (481 kinderen kregen bijvoeding). Bijvoeden met een cupje is gunstiger voor de duur van uitsluitend borstvoeding dan bijvoeden met de fles, als de baby meer dan twee keer moet worden bijgevoed. De onderzoekers stellen terecht dat het onmogelijk is te voorspellen welke baby's meer dan twee keer bijvoeding nodig zullen hebben. Daarom zul je dus bij elk kind terughoudend met de fles moeten zijn. "Deze resultaten onderbouwen de aanbevelingen van het Baby Friendly Hospital Initiative om bij voorkeur met een cupje bij te voeden. Bovendien illustreren onze resultaten absoluut de noodzaak om niet bij te voeden als daar geen medische indicatie voor is."
Bij baby's geboren na een sectio geldt het positieve effect van bijvoeden met een kopje in plaats van met de fles zelfs ongeacht het aantal bijvoedingen dat ze nodig hadden (de kans op medisch geïndiceerde bijvoeding was overigens groter na een sectio).
Wetenschappelijk onderzoek naar het effect van vroege ervaringen met kunstmatige zuigprikkels op de vaardigheid van pasgeborenen om goed aan de borst te drinken is van groot belang voor de gezondheid van moeder en kind. Hoewel spenen en fopspenen wijd verbreid zijn, waren er nog weinig gedegen studies voorhanden om het effect ervan te evalueren. Dit onderzoek verschaft ook belangrijke kennis over fopspenen. Vroege introductie van de fopspeen leidde tot een significant kortere borstvoedingsduur, vergeleken met de introductie ervan op de leeftijd van vijf weken. In hun conclusie stellen de auteurs vast dat hun resultaten het belang van de WHO/UNICEF aanbevelingen bevestigen en dat de vuistregels, ook vuistregel 9 over spenen en fopspenen, bevorderd moeten worden als standaard voor goede zorg.
Natuurlijk is het niet zo dat zuigverwarring bij elk kind optreedt en evenmin zal het probleem altijd onoplosbaar zijn; goede lactatiekundige hulp (motiveren, hulp bij afkolven, aanleggen) is echter niet overal makkelijk beschikbaar. De inzet en mogelijkheden van de moeder/ouders zijn ook een factor van betekenis.
Het blijkt dat we beter voorzichtig kunnen blijven en dat we niet, omdat het zo veel eenvoudiger lijkt, telkens wanneer bijvoeding nodig is moeten terugvallen op de fles. Ook de zorgvuldige manier van aanbieden van de fles als standaard advies, zoals door de NOMAS werkgroep wordt aanbevolen, zal niet voorkomen dat problemen kunnen ontstaan. De kans daarop is aantoonbaar reëel.
"Primum est non nocere", het basisprincipe in de medische zorg:
Ten eerste: geen schade toebrengen
Randomized clinical trial of pacifier use and bottle-feeding or cupfeeding and their effect on breastfeeding. Cynthia R. Howard et al. Pediatrics 2003; 111: 511-518
http://www.pediatrics.org/cgi/content/full/111/3/511
Terug naar boven
Veel ouders krijgen het advies om hun borstgevoede baby bij te voeden met kunstvoeding, of helemaal op kunstvoeding over te gaan, omdat hij of zij niet goed zou groeien. Vaak worden baby's daardoor vanaf de eerste maanden overvoed op grond van een te hoog normgewicht.
De WHO heeft op basis van gegevens over meer dan 8000 gezonde borstgevoede kinderen vastgesteld dat de gewichtstoename 7% lager is dan de groeicurven (gebaseerd op kinderen die kunstvoeding kregen) algemeen aangeven. Een kind van een jaar hoort niet tussen de 10 en bijna 13 kg te wegen, maar tussen de 9,5 en 11,7 kg. Kinderen die uitsluitend kunstvoeding krijgen, zouden dus ook aanzienlijk minder calorieën binnen moeten krijgen dan nu wordt aanbevolen, omdat de groei van borstgevoede kinderen in feite de norm is.
Het gewicht dat standaard voor twee- en driejarigen wordt gehanteerd is volgens de WHO zelfs 15 tot 20% te hoog.
Dr. Mercedes de Onis die het WHO onderzoek coördineert is van mening dat door deze verkeerde adviezen gezondheidsproblemen worden gecreëerd. Op een bijeenkomst in Londen van de WHO en de International Obesity Task Force (februari 2005) zei ze: "We are storing up health problems for the future." Er zijn immers steeds meer aanwijzingen voor een relatie tussen de voeding en groei van een baby en het risico op termijn voor aandoeningen gerelateerd aan overgewicht.
Het gaat er dus niet alleen om dat kinderen die zes maanden uitsluitend borstvoeding krijgen beoordeeld worden aan de hand van een ‘borstvoedingsgroeicurve' en op grond daarvan beter begeleid worden. Minder dik worden hoort volgens de WHO de norm voor àlle kinderen te zijn. In het najaar van 2005 zullen de nieuwe curven op de WHO site beschikbaar zijn.
Het onderzoek van de WHO is gedurende zeven jaar uitgevoerd in Brazilië, Noorwegen, Oman, de Verenigde Staten en Ghana.
Terug naar boven
De kans op reumatische artritis (ra) is kleiner voor vrouwen die borstvoeding geven. In een onderzoek naar risicofactoren voor ra in een groep van 121.700 vrouwen blijkt dat er een duidelijke trend (p=0,001) bestaat voor een afname van het risico op ra bij een toenemende borstvoedingsduur. Men onderzocht met name de invloed van hormonale factoren zoals eerste menstruatie, menstruatiecyclus, aantal zwangerschappen, leeftijd bij de geboorte van het eerste kind, borstvoeding, hormonale anticonceptie, onregelmatige menstruatie en hormoongebruik na de menopauze. Daaruit blijkt dat een onregelmatige menstruatie en menarche op jonge leeftijd risicoverhogend zijn voor ra. Andere onderzochte factoren hebben geen effect, met uitzondering van de borstvoedingsduur, die een positief effect heeft. Vrouwen die in totaal tenminste 24 maanden gevoed hebben lopen de helft minder risico op ra in vergelijking met vrouwen die geen borstvoeding gegeven hebben (RR=0,5).
E.W. Karlson et al. Do breast-feeding and other reproductive factors influence future risk of rheumatoid arthritis? Results from the Nurses' Health Study. Arthritis Rheum, November 1, 2004; 50(11): 3458-67
Terug naar boven
Het Boston Medical Center (BMC) heeft in 1999 het borstvoedingscertificaat behaald en ook de NICU heeft daarvan positieve effecten ondervonden. Het BMC is een groot ziekenhuis dat voor het merendeel een laagopgeleide patiëntenpopulatie bedient; het grote aantal etnische minderheden in de regio kent traditioneel lage borstvoedingspercentages. Van twee groepen baby's werden de gegevens vergeleken: 110 kinderen die in 1995 waren opgenomen en 117 patiëntjes uit 1999. Kinderen van HIV-positieve en drugsverslaafde moeders waren uitgesloten. In 1995 kreeg 34,6% moedermelk gedurende de eerste opnameweek; in 1999 was dat percentage gestegen tot 74,4% (P<0,001). De grootste stijging vond plaats onder niet in de VS geboren niet-blanken: van 27 naar 81%.
Belangrijke verschillen zag men ook in het aandeel uitsluitend met moedermelk gevoede baby's op de leeftijd van twee weken: in 1995 was dat maar 9,3% en in 1999 39%. Uitsluitend kunstmatige voeding kreeg nog maar 34%; dat was voorheen ruim 72%.
Volgens de auteurs van dit artikel was de training van de zorgverleners cruciaal voor dit succes, en dan met name de praktische implicatie van de toepassing van vuistregel 5: ‘... dat vrouwen wordt uitgelegd hoe zij de melkproductie in stand kunnen houden, zelfs als de baby van de moeder moet worden gescheiden.'
De medewerkers van de NICU hadden geleerd hoe ze de moeders konden helpen om een borstkolf via de verzekering vergoed te krijgen. Bovendien werd in 1998 een gesubsidieerd programma gestart om niet verzekerde moeders thuis van goede elektrische kolven te voorzien. De persoonlijke inzet en begeleiding vanuit het ziekenhuis in de ingewikkelde NICU situatie is met name van essentieel belang voor de kwetsbare groep vrouwen met een heel laag inkomen, die al zo weinig geneigd zijn om hun baby de borst te geven.
The Baby Friendly Hospital Initiative increases breastfeeding rates in a US neonatal intensive care unit. A. Merewood et al. J Hum Lact 2003; 19(2):166-171
Terug naar boven
In januari 2004 heeft The Lancet een studie gepubliceerd naar de incidentie en risicofactoren van SIDS (wiegendood) in 20 Europese regio's. In deze studie van R.G. Carpenter et al. zijn meer dan 60 variabelen van 745 gevallen zijn geanalyseerd en vergeleken met ruim 2400 kinderen in de controlegroep. Het grootste deel van de gevallen kon worden toegeschreven aan slapen in buikligging; daarna is roken door een van beide ouders of door beiden een belangrijke risicofactor. Als de moeder rookt kan samen slapen met name de eerste weken ook riskant zijn (RR met twee weken: 27,0); het risico is mede bepaald door de mate waarin ze alcohol gedronken heeft. Voor vrouwen die niet roken wordt ook een verband gevonden met samen slapen, maar dat is veel kleiner (RR met twee weken: 2,4), en na acht weken niet meer significant. Er zijn helaas geen gegevens over de mate van oververmoeidheid, die echter wel degelijk een rol kan spelen bij moeders van zeer jonge kinderen.
Aan ‘samen slapen' in het kader van dit onderzoek wordt ook aandacht besteed op de website van UK Baby Friendly Initiative. Een algemeen advies tegen samen slapen zou juist kunnen leiden tot een minder veilige situatie. Borstgevoede baby's hebben 's nachts voeding nodig en moeders worden loom van de borst geven: op de bank is dat riskanter dan in bed. Anderzijds is - meer dan eens - 's nachts de borst geven op deze manier (niet liggend in bed) wellicht zo vermoeiend dat het advies genegeerd wordt of dat de borstvoeding wordt opgegeven. Kunstmatige zuigelingenvoeding hoort tot de risicofactoren voor SIDS.
http://www.babyfriendly.org.uk/mailing/updates/research_update_20040216.htm. Hier vindt u ook het artikel van R.G. Carpenter et al.
Het interessant om in dit verband het artikel van Helen L. Ball te lezen over ‘
Breastfeeding, Bed-Sharing, and Infant Sleep' (Birth 30:3 september 2003). In 253 gezinnen is onderzocht hoe jonge ouders de eerste vier maanden omgaan met slapen en voeden. Zij concludeert dat goed begrip nodig is van de relatie tussen de voeding, slapen van de baby en de manier waarop ouders 's nachts met hun kind omgaan; dit is een factor die bij de bevordering van borstvoeding en van de gezondheid van jonge kinderen een cruciale rol speelt. Alle ouders moeten goed voorgelicht worden over veiligheid bij samen slapen.
Terug naar boven
Een ziekenhuis in Virginia, VS, biedt vanaf 1997 lactatiekundige hulp aan de moeders van wie de baby is opgenomen op Neonatologie, zodat ze de best mogelijke ondersteuning krijgen om ook na ontslag borstvoeding te geven. Onderzocht is nu of daarvan effect aan te tonen is. De gegevens over 175 moeders en kinderen zijn verzameld gedurende een periode van zes maanden, waarin de drie verpleegkundigen/lactatiekundigen, van wie een in opleiding, actief waren. Deze resultaten zijn vergeleken met die van een controlegroep van 175 cliënten die opgenomen waren tijdens het jaar voordat deze service geboden werd. De groepen waren vergelijkbaar wat betreft factoren als leeftijd van de moeder, Apgar score en opnameduur van het kind. Van alle baby's was 67 % prematuur en/of lichter dan 2500 gr. Tijdens de twee jaar durende onderzoeksperiode bleven de borstvoedingscijfers in de regio gelijk.
In de controlegroep kreeg 31 % melk van de eigen moeder tijdens de opname en 23 % bij ontslag. Met lactatiekundige hulp stegen deze percentages significant naar 47 % en 37 %. Kinderen met een 5 minuten Apgar score tussen 5 en 7 of hoger dan 7 hadden veel profijt van de betere ondersteuning van hun moeders; die met een score onder de 5 niet. Ook de opnameduur speelt een rol, los van de leeftijd van de baby: bij een opnameduur korter dan 7 dagen ging het percentage dat moedermelk kreeg met 25 percentpunten omhoog, terwijl dat bij kinderen die langer moesten blijven toch nog 12 % hoger was dan voorheen, toen lactatiekundige ondersteuning niet beschikbaar was. De onderzoekers concluderen dat de moeders en kinderen op deze afdeling extra steun bij borstvoeding nodig hebben en dat deze steun het beste gegeven kan worden door gespecialiseerde lactatiekundigen.
Evaluation of a Lactation Support Service in a Children's Hospital Neonatal Intensive Care Unit. K.A. Gonzalez et al. J Hum Lact 19(3): 286-292; 2003
Terug naar boven

In januari 2003 is de cb-arts Anneke Bulk-Bunschoten gepromoveerd op haar onderzoek naar de voedingswijze van baby's tot vier maanden en met name naar de redenen voor veranderingen van de voeding. De onderzoeker heeft in beeld gebracht wat de rol van het cb is bij voedingsadvisering en hoe adviezen over voeding verbeterd kunnen worden.
Uit het onderzoek blijkt dat de redenen om (gedeeltelijk) met borstvoeding te stoppen vaker samenhangen met factoren bij het kind dan bij de moeder. De meest genoemde reden is het gevoel van de moeder dat de baby honger heeft, hoewel er in de meeste gevallen geen probleem is met de gewichtstoename. Wat de 'moedergebonden' redenen betreft staat weer aan het werk gaan bovenaan, gevolgd door fysieke problemen (pijn bij het voeden).
Het proefschrift gaat ook in op de etnische achtergrond en de moedertaal in relatie tot de voeding van de baby. Moeders van Turkse afkomst geven vaker naast moedermelk extra flesvoeding: hun baby's zijn op de leeftijd van vier maanden het zwaarste.
Een hoofdstuk is gewijd aan het verschijnsel dat obstipatie bij één op de tien kinderen wordt genoemd als reden om van voeding te veranderen, terwijl dat volgens de literatuur maar bij 3 % van de baby's voorkomt. Vrouwen beslissen zelf om vanwege obstipatie met borstvoeding te stoppen, maar ze doen dat ook vaak op advies van de cb-medewerker. De conclusie is wat dit betreft dat de professionals meer moeten weten over de natuurlijke gang van zaken bij borstvoeding: ontlasting eens in de tien dagen is geen obstipatie. Toch stelde meer dan de helft van de deelnemende cb-artsen die diagnose als een borstgevoed kind minder dan eens per week ontlasting had.
Verder wordt aangetoond dat van de kinderen die flesvoeding krijgen 70 % in de eerste vier maanden overgaat op een andere voeding en dat gebeurt gemiddeld 1,8 keer. Het maximale aantal wisselingen per kind was 8 keer. Huilen is de meest voorkomende reden.
De vraag doet zich voor of voedingswisselingen schadelijk zijn. Stoppen of afbouwen van borstvoeding is volgens de onderzoeker zeker niet bevorderlijk voor de gezondheid, maar switchen van het ene naar het andere merk flesvoeding maakt weinig uit. De specialistische flesvoedingen voor baby's die veel huilen of honger hebben blijken in deze studie geen voordeel voor het kind op te leveren. In meer dan 80 % van de gevallen krijgen kinderen hypoallergene voeding zonder dat de diagnose koemelkovergevoeligheid zorgvuldig is gesteld. Veel problemen bij het kind verdwijnen de eerste vier maanden vanzelf en cb-medewerkers zouden een veel afwachtender beleid moeten voeren vanuit een grotere deskundigheid. Verder stelt Anneke Bulk vast dat tijdige voorlichting over borstvoeding en informatie over ouderschaps- en lactatieverlof de borstvoedingspercentages zou kunnen verhogen, en dat moeders gerustgesteld moeten worden over het feit dat allerlei fysieke problemen van tijdelijke aard zijn.
Terug naar boven
Voor wie belangstelling heeft voor de wetenschappelijke achtergrond van de bevordering van borstvoeding is de volgende uitgave zeer de moeite waard:
Quantifying the benefits of breastfeeding: a summary of the evidence. N. León-Cava. Pan American Health Organisation (PAHO) & Linkages Project; 2002 (168 blz). Het boek is aan te vragen op
http://www.linkagesproject.org.
Terug naar boven
Dat borstvoeding voor te vroeg geboren kinderen niet meer belastend is dan drinken uit een fles is inmiddels wetenschappelijk vastgesteld. Maar hoe geven we de noodzakelijke bijvoeding voor het zover is? Opvattingen over de keuze van (bij)voeden met een kopje of met een fles voor prematuur geboren baby's zijn meestal gebaseerd op ervaring of enthousiaste verhalen van collega's of docenten. Het is moeilijk om op grond van wetenschappelijk onderzoek harde conclusies te trekken, maar een tendens wordt wel zichtbaar. Hieronder volgt de beknopte weergave van de resultaten van drie onderzoeken op dit gebied.
S. Lang et al. Cup feeding: an alternative method of infant feeding. Arch. of Disease in Childh.1994; 71: 365-369De auteur beschrijft de geleidelijke introductie van cup feeding op de afdeling, vanwege de noodzaak zorgverleners vertrouwd te maken met de techniek en bovendien weerstanden te overwinnen. Uiteindelijk werd het cupje aangeboden, zodra de baby elke twee of drie uur sondevoeding kon verdragen; maar als het kind zelf aan de borst kon, had dat de voorkeur. Van de 84 moeders die hun baby cup feeding gaven, was 90 % van plan borstvoeding te gaan geven. Bij ontslag gaf 81 % van die groep inderdaad uitsluitend borstvoeding, 8 % combineerde borst en fles, 3 % combineerde cupje en borstvoeding.
Dit patroon is vergeleken met een groep moeders die ook van plan was borstvoeding te geven, maar van wie de kinderen geen cupje maar de fles kregen. Van deze groep van 365 vrouwen gaf bij ontslag 63 % uitsluitend borstvoeding, 17 % was overgestapt op flesvoeding, 9 % combineerde fles en borst en 11 % van de baby's was overgeplaatst naar andere afdelingen terwijl ze nog sondevoeding kregen. De conclusie luidt dat cup feeding kan bijdragen aan het succes van borstvoeding geven.
P.A.Kliethermes et al. Transitioning preterm infants with nasogastric tube supplementation: increased likelihood of breastfeeding. JOGNN 1999; 28 (3): 264-273In dit onderzoek werden 84 prematuur geboren baby's (geboortegewicht 1000-2500 gram) gevolgd, ingedeeld in twee groepen: groep 1 kreeg bijvoeding met de fles zodra orale voeding mogelijk was, maar moeder niet aanwezig was om te voeden, groep 2 kreeg naast borstvoeding de bijvoeding steeds via een neussonde. De begeleiding was voor allebei de groepen optimaal: veel 'oefenen' aan de borst, hulp met kolven en aanleggen, en minstens twee keer per week lactatiekundig consult.

De bijvoeding werd geminderd als de baby's regelmatig 20 tot 30 gram per dag aankwamen. Voor ontslag bleven moeder en kind 24 tot 48 uur permanent samen en als dan nog wat bijvoeding nodig was, kreeg groep 1 deze met de fles en groep 2 met een cupje of voedingsspuitje. Bij ontslag was de kans op volledig borstvoeding 9,4 keer groter voor de kinderen uit groep 2. Na drie maanden was dit verschil nog steeds aanwezig: een bijna vier maal zo grote kans op volledig borstvoeding als de kinderen niet waren bijgevoed met de fles (zie grafiek). De onderzoekers benadrukken dat deze interventie ervaren zorgverleners vereist en dat moeder en kind zo veel mogelijk bij elkaar moeten kunnen zijn.
M.N.Neide et al. Cup or bottle feeding for preterm infants: effects on oxygen saturation, weight gain and breastfeeding. J Hum Lact 2002; 18(2): 132-138Wat voor invloed heeft voeden met een cupje of met de fles op zuurstofverzadiging, gewichtstoename en borstvoedingcijfers? Deze vraag werd bestudeerd in een experimenteel onderzoek onder 78 prematuur geboren kinderen (32 tot 36 weken zwangerschapsduur) met een geboortegewicht lager dan 1700 gram, die in twee groepen werden ingedeeld. Alle moeders wilden borstvoeding gaan geven en de kinderen hadden geen aangeboren afwijkingen of ernstige aandoeningen.
Tussen beide groepen vond men geen significante verschillen met betrekking tot de duur van de voedingen, voedingsproblemen of gewichtstoename. In de flesgevoede groep kwam een zuurstofverzadiging lager dan 85 % significant vaker voor (p=0,2).
Bij de eerste controle, 5 tot 15 dagen na ontslag was in beide groepen ruim 55 % al gestopt met borstvoeding geven. Van degenen die nog wel de borst gaven, bleek een aanzienlijk groter percentage dat na drie maanden ook nog te doen, als hun baby tijdens de opname het cupje en geen flesje hadden gehad: 68 tegen 33 % (p=0,4). Zuigverwarring moet als oorzaak van voortijdig spenen niet worden uitgesloten. De auteurs noemen als belangrijke conclusie van hun onderzoek tevens dat cup feeding (gemiddeld 11,8 minuten) niet meer tijd kost dan de fles (gemiddeld 13,4 minuten) en dat zich bij cup feeding niet meer problemen zoals apneu of aspiratie voordeden.
Terug naar boven
In dag- en vakbladen heeft bovengenoemd onderzoek nogal wat aandacht gekregen: "borstvoeding leidt tot astma". Hieronder volgt een recensie van dit artikel, dat is gepubliceerd in The Lancet van 21 september 2002. De onderzoekers, Sears en anderen, hebben gekeken naar de relatie tussen borstvoeding en het ontwikkelen van astma in kinderen en adolescenten. Het betreft hier een langlopende studie onder 1037 kinderen in Nieuw Zeeland, geboren tussen april 1972 en maart 1973. Op driejarige leeftijd werden de kinderen betrokken bij het onderzoek. Op de leeftijd van 3, 5, 7, 9, 11, 13, 15, 18, 21, en 26 jaar werden de kinderen onderzocht op uitkomsten als astma, hooikoorts en allergieën. Tevens werd op verschillende momenten gebruikt gemaakt van spirometrie en huidtesten. De resultaten zijn gecorrigeerd voor relevante verstorende variabelen als familieanamnese en roken. De onderzoekers concluderen dat borstvoeding geen bescherming biedt tegen het ontwikkelen van atopische aandoeningen en mogelijk zelfs een risicofactor is.
De onderzoekers menen te voldoen aan de criteria van Kramer (1988) als onderliggende basis voor de uitvoering van het onderzoek. Kramer geeft twaalf criteria voor onderzoeken met betrekking tot de relatie borstvoeding en atopische aandoeningen, te weten: niet vertrouwen op herinnering van de moeder; controle van daadwerkelijk gegeven voeding; voldoende duur van borstvoeding; voldoende exclusiviteit van borstvoeding; strikte uitkomstcriteria met betrekking tot de te onderzoeken aandoeningen; controle van daadwerkelijke aandoeningen; ernst van aandoening; leeftijd bij begin van aandoening; corrigeren voor verstorende variabelen; evaluatie van dose-response effect; evaluatie van effect in high risk kinderen; voldoende statistische kracht van het onderzoek.
Volgens deze criteria zouden de mate van exclusiviteit en de duur van de borstvoedingsperiode door Sears c.s. nauwkeurig omschreven moeten zijn. Nergens in de publicatie blijkt echter dat dat ook daadwerkelijk gebeurd is. Op het moment dat de kinderen geworven werden voor het onderzoek (leeftijd 3 jaar) is bij de moeder navraag gedaan naar de wijze van voeden in de eerste levensmaanden. Deze informatie werd gecontroleerd via de gegevens van de Nieuw-Zeelandse gezondheidszorg, vergelijkbaar met onze consultatiebureaus. Er wordt geen definitie gegeven van het concept 'borstvoeding'. Alhoewel de informatie van de moeder wellicht goed overeen zal komen met die van de consultatiebureaus, wordt dus niet aangegeven wat deze informatie inhoudt.
Wel staat vermeld dat de meeste kinderen gedurende de eerste 3-4 dagen 'hoogstwaarschijnlijk' in het ziekenhuis waren bijgevoed met kunstvoeding, zoals de gewoonte destijds was. Dit gegeven wordt afgedaan als 'onbelangrijk'. In de tabellen waar de resultaten in verwerkt zijn wordt slechts gesproken van 'not breastfed' en 'breastfed > 4weeks'. In de laatste categorie zijn dus alle kinderen meegenomen die 'enige borstvoeding' hebben genoten tijdens een periode van in ieder geval 4 weken, zonder enig onderscheid te maken in mate van exclusiviteit. Een gegeven dat de validiteit van het onderzoek ernstig ondermijnt. Gezien de tijdssetting van het onderzoek (jaren zeventig) is het heel aannemelijk dat de meeste borstgevoede kinderen regelmatig bijvoeding kregen in de vorm van kunstvoeding, en al heel vroeg (2-3 maanden) bijvoeding in de vorm van vast voedsel. Van de 1037 borstgevoede kinderen, kregen er slechts 160 langer dan vier weken 'uitsluitend' borstvoeding; dat is 15 % van de totale onderzoeksgroep. Langer dan vier weken kan even goed zes weken als zes maanden betekenen.
Een ander belangrijk aspect dat veelal over het hoofd gezien wordt, is dat juist in de jaren zeventig in de westerse wereld (waaronder ook Nieuw-Zeeland) het voeden aan de borst onderhavig was aan allerlei 'regels'. Ernstige beperkingen in de duur en frequentie van de borstvoeding (verstoring van vraag en aanbod) had tot gevolg dat de totale duur van de borstvoedingsperiode veelal beperkt was. Belangrijker nog is het gegeven dat indien de baby geen onbeperkte toegang heeft tot de borst hij of zij ook waardevolle antistoffen misloopt. Deze antistoffen en aanverwante beschermende stoffen krijgt het kind alleen in voldoende mate binnen indien het onbeperkt en exclusief aan de borst wordt gevoed. Het is onwaarschijnlijk dat er binnen de onderzoeksgroep van Sears veel kinderen waren die op deze manier werden gevoed.
Concluderend moeten we zeggen dat dit onderzoek weinig bijdraagt aan de huidige kennis omtrent de relatie tussen borstvoeding en atopische aandoeningen. Het volledig ontbreken van een duidelijke definitie van 'borstvoeding' vormt, samen met het feit dat de groep uitsluitend borstgevoede kinderen waarschijnlijk buitengewoon klein was, het grote manco van dit onderzoek, waardoor de validiteit ervan minimaal is. De vraag blijft namelijk hoeveel kinderen tenminste zes maanden echt uitsluitend borstvoeding hebben gekregen en in welke mate zij wel of niet atopische klachten hebben ontwikkeld.
M.R. Sears et al. Long-term relation between breastfeeding and development of atopy and asthma in children and young adults: a longitudinal study. The Lancet 2002; (360:901-907)
Terug naar boven
In Rusland en eerder in de voormalige Sovjet Unie is het in de steek laten van baby's (infant abandonment) een ernstig probleem, hoewel dat gewoonlijk wordt ontkend. Dat was een paar eeuwen geleden wel anders. Ten tijde van Catharina de Grote in de 18e eeuw werden juist grote beloningen uitgeloofd aan vrouwen die vondelingen opnamen en verzorgden. Gevonden kinderen van lijfeigenen kregen de vrijheid en mochten naar school, met het gevolg dat de weeshuizen de stroom vondelingen niet meer aankonden. Nog steeds vormt dit in de steek laten van kinderen een serieus sociaal en economisch probleem in Rusland, dat groter wordt met de afname van de welvaart.
Internationale studies geven aan dat verlaten kinderen een groter risico lopen op ontwikkelingsachterstanden en psychologische stoornissen en vaker slachtoffer worden van kindermishandeling. Toch is het moeilijk onderzoek te vinden dat kijkt naar maatregelen om deze infant abandonment te voorkomen.In het onderzoek1 dat we hier bespreken is nagegaan hoe het verloop van deze infant abandonment is geweest gedurende de periode 1987-1998 in een groot ziekenhuis in Sint Petersburg, kraamkliniek 11. Vanaf 1992 heeft men daar de gangbare nationaal gereguleerde begeleiding van kraamvrouwen drastisch gewijzigd, omdat men ging werken met het UNICEF Baby Friendly Hospital Initiative. In de tabel ziet u de voornaamste verschillen.
| |
Voor BFHI '87-'92 |
Na BFHI '93-'98 |
| 1e contact moeder/kind |
na 8 uur |
meteen |
| duur 1e contact |
30 min |
24 uur rooming in |
| 1e voeding |
alleen flesvoeding |
meestal borstvoeding |
| % tijd dat baby bij moeder is |
13 % |
100 % |
| rooming in |
nooit |
altijd |
| aantal vrouwen per verloskamer |
6-8 |
1 |
| aantal vrouwen per kamer |
6-8 |
1-2 |
| duur verblijf gemiddeld |
8,8 dagen |
7,1 dagen |
| bezoek van vader & familie |
nee |
ja |
| verlaten per 10.000 geboortes |
50,3 |
27,8 |
De mate van infant abandonment is dus aanzienlijk lager geworden in deze periode. Meteen in 1992 ging dit getal van gemiddeld 50,3 naar 33 per 10.000 en in de jaren '97 en '98 waren het nog 17 kinderen per 10.000 geboorten. Dit is overigens helemaal tegen de 'trend' in: in een andere grote kraamkliniek, nummer 16, zijn in dezelfde periode van 1992-1995 juist 32 % meer kinderen achtergelaten door hun moeders. Deze tragische tendens wordt verklaard door ernstige economische malaise in het land. De slechte economische omstandigheden hebben overigens ook geleid tot aanzienlijk lagere geboortecijfers. In kraamkliniek 11 werden in '87 ruim 3200 baby's geboren en in '98 nog maar 1815.
In 1991 heeft een andere onderzoeker in Thailand vergelijkbare resultaten gesignaleerd. Daar nam infant abandonment af van 33 tot 1 per 10.000, nadat de scheiding na de geboorte was teruggebracht van gemiddeld 6,3 tot 1,6 uur en alle baby's 24 uur bij hun moeder bleven.
Zweedse onderzoekers2 hebben als verklaring gewezen op de hogere oxytocinegehaltes als moeders meteen na de bevalling hun baby aanleggen en daarna zeer frequent voeden. En oxytocine leidt onder meer tot euforie, een hogere pijndrempel en een groeiend gevoel van warmte en liefde voor het kind, dat de moeder als het hare gaat accepteren.
In het Russische onderzoek wordt ervoor gepleit breed gebruik te maken van dit natuurlijke mechanisme om te voorkomen dat baby's verlaten worden, een methode die bovendien niet veel kost. Iets anders dat nader onderzoek behoeft is de vraag of deze interventies ook het risico van kindermishandeling in de eerste levensjaren kunnen verminderen.
1. Effect of the Baby-Friendly Initiative on Infant Abandonment in a Russian Hospital. Natalya M. Lvoff et al. Arch Pediatr Adolesc Med; vol 154: 474-477, 2000
2. Elevation of oxytocin level in early post partum women. E.Nissen et al. Acta Obstet Gynecol Scand; 74: 530-533, 1995
Terug naar boven
De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft in 2002 een rapport uitgebracht over voedingswaarde van uitsluitend moedermelk, getiteld '
Nutrient adequacy of exclusive breastfeeding for the term infant during the first 6 months of life'. Hierin is voornamelijk gekeken naar de groei van het kind en in mindere mate naar immuniteitsreacties en ontwikkeling van het zenuwstelsel. Het rapport beperkt zich tot de voedingsbehoefte en gaat niet in op gedrag of op de rol van de moeder. Parallel hieraan zijn twee andere belangrijke documenten uitgebracht door de WHO:
1. The optimal duration of exclusive breastfeeding: a systemic review.
MS Kramer, R. Kakuma. document WHO/NHD/01.08-WHO/FCH/CAH/01.23, 2001
2. The optimal duration of exclusive breastfeeding: report of an expert consultation.
document WHO/NHD/01.09-WHO/FCH/CAH/01.24, 2001
U kunt deze inzien op
de site van de WHO.
Terug naar boven

Als alle Westerse vrouwen hun kinderen een half jaar langer de borst zouden geven dan ze nu doen, dan zouden jaarlijks 25.000 minder vrouwen minder borstkanker krijgen. Als ze een jaar langer zouden voeden, betekent dat een afname van borstkankerdiagnoses met ongeveer 50.000 (11%). In Nederland valt relatief veel 'winst' te behalen, omdat hier borstkanker meer voorkomt en nog minder borstvoeding wordt gegeven dan in veel andere Westerse landen (persbericht Nederlands Kankerinstituut, 18 juli 2002).
In het Westen, waar vrouwen weinig kinderen krijgen, die ze bovendien vaak maar kort voeden, komt borstkanker vaker voor dan in ontwikkelingslanden. Het is al langer bekend dat kinderen krijgen beschermend werkt tegen borstkanker, maar nu is ook duidelijk geworden dat borstvoeding geven, en de duur daarvan, een belangrijke rol speelt. In een grootschalige meta-analyse zijn de gegevens van 47 studies afkomstig uit 30 landen betrokken; het betreft in totaal 50.000 patiënten en 97.000 controles. Met ieder kind dat een vrouw krijgt, blijkt dat haar kans op borstkanker 7 procent kleiner wordt en voor elk jaar borstvoeding scheelt het nog eens 4,3 procent.
Het is nog niet helemaal duidelijk hoe de bescherming tegen borstkanker werkt. Borstvoeding stimuleert de celdifferentiatie en remt de menstruele cyclus: beide factoren lijken, naast het effect van prolactine, een rol te spelen.
Breast cancer and breastfeeding: collaborative reanalysis of individual data from 47 epidemiological studies in 30 countries: V.Beral et al. The Lancet vol 360; 187-195
Terug naar boven
Het werk van de stichting Zorg voor Borstvoeding wordt onderschreven door een groot aantal organisaties. Het bulletin 'Voeding van zuigelingen en peuters' van de Inspectie voor de Gezondheidszorg dient als basis voor de advisering in de gezondheidszorg.
In deze uitgave van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid (maart 1999) wordt vastgesteld dat borstvoeding de beste voeding is voor zuigelingen en een gezonde groei en ontwikkeling bevordert. Uit onderzoek blijkt volgens het bulletin dat borstgevoede kinderen een significant lager risico lopen op een groot aantal acute en chronische ziekten, zoals maag-darmstoornissen, respiratoire infecties, otitis media, bacteriële meningitis, urineweginfecties en necrotiserende enterocolitis. Allergische aandoeningen, chronische darmziekten, diabetes mellitus en wiegendood komen in de groep borstgevoede kinderen minder vaak voor. Ook is de gunstige invloed van moedermelk op de cognitieve ontwikkeling bewezen. Met de duur van de borstvoeding neemt de beschermende werking ervan toe. Ook voor de gezondheid van de moeder heeft zelf voeden voordelen. Zo is een beschermend effect aangetoond tegen premenopausale borstkanker.
Dankzij de deelname van de stichting Zorg voor Borstvoeding in de studiegroep, die verantwoordelijk is voor het nieuwe bulletin, komen niet alleen de gezondheidseffecten van moedermelk aan de orde, maar is er ook aandacht voor beleid: de tien vuistregels voor het welslagen van borstvoeding staan onder uitgangspunt 1.
Verder gaat het boekje in op de noodzaak van een positieve houding van de zorgverleners, op verwijzen naar borstvoedingsorganisaties en op praktische zaken als borstvoeding en werk, goed aanleggen, rooming-in en doorgaan met de borstvoeding zo lang als moeder en kind dat prettig vinden. Ook flesvoeding en vaste voeding komen aan bod. Kortom in een beknopte uitgave (56 bladzijden) vindt u een weergave van de huidige wetenschappelijk verantwoorde inzichten rond de voedingsadvisering voor kinderen van 0 tot 4 jaar.
Voor professionals in de gezondheidszorg is het bulletin te bestellen bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg:
Postbus 16119
2500 BC Den Haag
tel 070 - 340 58 46
fax 070 - 340 57 25
Terug naar boven
Een fopspeen lijkt langzamerhand een onmisbaar onderdeel van de babyuitzet. In vuistregel 9 wordt vastgesteld dat aan pasgeborenen geen speen of fopspeen moet worden gegeven. Het volgende longitudinale prospectieve onderzoek, gedaan in Zweden, biedt voor die stellingname een nieuwe onderbouwing.
In een groep van 506 baby's werd gekeken naar een verband tussen duimen, fopspeengebruik en borstvoeding. De moeders hadden allemaal een eerder kind tenminste vier maanden gevoed en ze planden deze baby zes maanden of langer borstvoeding te geven. Hun gemiddelde leeftijd was 30,7 jaar en ruim 62 % had een universitaire opleiding. Zoals in deze populatie te verwachten is lag het borstvoedingspercentage hoog: 85 % met zes maanden.
Zowel duimen als zuigen op een fopspeen komt al op de leeftijd van twee weken veel voor (respectievelijk 61 en 60 %), maar bij de meeste baby's is dat minder dan drie keer per dag. Frequent fopspeengebruik (> 3 keer per dag) neemt toe van 24 % met 1 week tot 47 % met twee maanden en blijft op dat niveau tot de leeftijd van zes maanden, terwijl frequent duimen tot de leeftijd van vier maanden geleidelijk toeneemt tot 73 % en weer afneemt tot 41 % met zes maanden.
In een analyse van het borstvoedingsgedrag bij uitsluitend borstgevoede kinderen is onder meer gekeken naar hoe vaak en hoe lang ze aan de borst drinken op de leeftijd van 2, 4, 8 en 12 weken; dit in relatie tot helemaal niet duimen of zuigen op een fopspeen en tot frequent duimen en/of fopspeengebruik. Op geen enkele leeftijd wordt een significant verschil in borstvoedingsgedrag gevonden in de groep kinderen die wel of niet duimen of ook geen fopspeen hebben. Tussen frequent fopspeengebruik en borstvoeding blijkt wel een verband: per etmaal krijgen deze kinderen gemiddeld een voeding minder en zuigen ze in totaal 15 tot 30 minuten korter aan de borst. Dit geldt in alle leeftijdsgroepen.
Er is ook gekeken naar de borstvoedingsduur in maanden. Kinderen die geen fopspeen hebben, krijgen gemiddeld 10 maanden de borst, kinderen die de fopspeen frequent gebruiken, krijgen gemiddeld 7,5 maand de borst.
De fopspeen wordt waarschijnlijk in de plaats van een borstvoeding gegeven om de baby te kalmeren; dit leidt geleidelijk tot minder melkproductie en kan een kortere borstvoedingsperiode tot gevolg hebben. Frequent fopspeengebruik verstoort wellicht ook de juiste manier van zuigen. In dit onderzoek is daar niet specifiek naar gekeken. Het is echter wel opvallend dat zelfs in deze gemotiveerde groep vrouwen de duur van de borstvoeding beïnvloed wordt, als de baby heel vaak een fopspeen krijgt.
Vuistregel 9 spreekt van pasgeborenen: uit dit onderzoek blijkt dat ook op de langere termijn een verband bestaat tussen fopspenen en borstvoeding.
In de onderzoeksperiode van 1989 tot en met 1992 zijn de borstvoedingscijfers in Zweden gestegen van gemiddeld 8,3 naar 10,3 maanden. In 1992 daalt het fopspeengebruik plotseling, hetgeen volgens de onderzoekers samenhangt met de implementatie van de Tien vuistregels van het Baby Friendly Hospital Initiative.
Breastfeeding Patterns in Relation to Thumb Sucking and Pacifier Use
Clara Aarts et al. Pediatrics 1999;104(4)
Terug naar boven
In een groot onderzoek in Wit Rusland, uitgevoerd door Canadese en Witrussische wetenschappers, is gekeken naar de duur van de borstvoeding en naar de gezondheid van de kinderen in relatie tot extra aandacht voor borstvoeding.
31 Kraamklinieken en de bijbehorende poliklinieken, waar de controles gedurende het eerste levensjaar plaatsvinden, zijn in twee groepen verdeeld; in de ene groep vindt de gebruikelijke begeleiding plaats, terwijl in de interventiegroep alle zorgverleners 18 uur bijscholing op het gebied van borstvoedingsbegeleiding krijgen en gaan werken aan de hand van de Tien vuistregels. Het heeft 12 tot 16 maanden geduurd voordat alle verloskundigen, verpleegkundigen en (kinder)artsen voldoende waren geschoold om de interventie toe te passen.
Deze 'Promotion of Breastfeeding Intervention Trial' (PROBIT) bouwt voort op de wetenschappelijk aangetoonde effectiviteit van de Tien vuistregels en is het eerste gerandomiseerde onderzoek naar het effect ervan als geheel. Daarbij is de uitvoering van vuistregel 10 (over borstvoedingsorganisaties) geïnterpreteerd als de noodzaak om in de poliklinieken (vergelijkbaar met cb's) te werken met zorgverleners die evenzeer zijn bijgeschoold. In Wit Rusland bestaat, net als in de andere voormalige Sovjetrepublieken, een uniforme en gedateerde werkwijze in de gezondheidszorg. In een belangrijk opzicht is Wit Rusland echter heel goed vergelijkbaar met de VS en West-Europa: de basisgezondheidszorg is goed bereikbaar en het drinkwater is van prima kwaliteit.
Er zijn 17.046 moeder-kind paren bij de PROBIT betrokken, die praktisch allemaal tot 12 maanden zijn gevolgd. Deze gezonde moeders van een gezonde baby met een geboortegewicht van tenminste 2500 g (geen meerlingen) zijn allemaal begonnen met borstvoeding. De borstvoedingscijfers blijken over het algemeen wat hoger dan de onderzoekers verwachtten; ze verklaren dit door de stijgende prijs voor kunstmatige zuigelingenvoeding, die aan het eind van de studieperiode is opgelopen tot 20 % van een gemiddeld maandinkomen. Toch zijn er significante verschillen tussen de groepen vastgesteld.
Met drie maanden geeft in de controlegroep nog 28,3 % voornamelijk borstvoeding en in de interventiegroep is dat nog 52 %. Hieronder wordt verstaan moedermelk en geen vaste voeding of andere melkvoeding, wel sap, water of thee. Het verschil tussen beide groepen blijkt nog veel groter als gekeken wordt naar uitsluitend borstvoeding met drie maanden: 6,4 % tegen 43,3 % in de interventiegroep. Met zes maanden krijgen in de interventiegroep zeven maal zo veel kinderen voornamelijk borstvoeding als in de controlegroep (10,6 tegen 1, 6 %). En ook de kinderen van 12 maanden krijgen nog wat moedermelk: 11,4 % in de controlegroep en bijna 20 % in de interventiegroep.
Behalve naar de duur van de borstvoeding is ook gekeken naar de preventie van maagdarmstoornissen gedurende het eerste levensjaar: in de interventiegroep komt dat 40 % minder voor; atopisch eczeem komt 46 % minder voor. In de controlegroep overleden 28 kinderen (5 wiegendood), in de interventiegroep 21 (1 wiegendood); dit verschil is niet significant. De onderzoekers signaleren wel dat de mogelijk beschermende werking van borstvoeding tegen wiegendood consistent is met eerder epidemiologisch onderzoek.
De resultaten van de PROBIT verschaffen een solide wetenschappelijke basis voor activiteiten om borstvoeding te bevorderen, en dat niet alleen door middel van de Tien vuistregels in de kraamtijd. Ook de begeleiding door goed geschoolde zorgverleners gedurende het hele eerste levensjaar is van belang.
Promotion of Breastfeeding Intervention Trial (PROBIT), A Randomized Trial in the Republic of Belarus. Michael S. Kramer et al. JAMA 2001; 285, 4: 413-420
Terug naar boven
Het tijdschrift Pediatrics heeft in september 2001 een onderzoek gepubliceerd naar het effect van het Baby Friendly Hospital Initiative (in Nederland Zorg voor Borstvoeding geheten) in een groot academisch ziekenhuis in de VS, het Boston Medical Center. Dit ziekenhuis bedient een bevolking die voornamelijk bestaat uit de lage inkomensgroepen, immigranten en minderheden.
Gegevens van de kraamafdeling uit drie jaren zijn met elkaar vergeleken, uit 1995, 1998 en 1999, namelijk voordat het borstvoedingsbeleid was aangepakt, tijdens het verbeteringsproces en na de toekenning van het UNICEF borstvoedingscertificaat. De resultaten zijn overduidelijk. Zo is de start van borstvoeding toegenomen van 58 % in '95 , naar 77,5 % in '98 en 86,5 % in '99. De percentages voor uitsluitend borstvoeding in deze drie jaren zijn: 5,5 %, 28,5 % en 33,5 %, eveneens een significante stijging.
De auteurs concluderen dan ook dat een goed borstvoedingsbeleid gebaseerd op de Tien vuistregels leidt tot meer borstvoeding, hetgeen in lijn is met eerdere publicaties die aantonen dat de 'ouderwetse werkwijze' in ziekenhuizen het welslagen van de borstvoeding lijkt te verstoren. Nog belangrijker vinden zij dat hun resultaten laten zien dat deze aanpak met de Tien vuistregels ook werkt voor de bekende risicogroepen: zo is het percentage zwarte vrouwen dat start met borstvoeding gestegen van 34 % in '95 naar uiteindelijk 74 % in '99. Tot nu toe, schrijven ze, was veel inspanning geleverd om deze risicogroepen gericht te motiveren en te bereiken met de bevordering van borstvoeding, echter zonder succes.
In het artikel wordt verder aandacht besteed aan de gekozen strategie om de nieuwe werkwijze heel breed in te voeren: van een positieve uitstraling door voed -en kolfruimtes met mooie borstvoedingsposters tot intensieve training voor alle artsen en verpleegkundigen en een telefoonservice voor ontslagen patiënten. Belangrijk obstakel was een contract met een babyvoedingsfabrikant die flesvoeding ter waarde van 72.000 US $ per jaar schonk. De behoefte aan flesvoeding was echter veel kleiner; bij zorgvuldige berekening bleek 20.000 US $ per jaar daarvoor voldoende te zijn, een bedrag dat het management gewoon is gaan betalen om niet langer aan de fabrikant verplicht te zijn.
Tenslotte stellen de auteurs dat borstvoeding zo belangrijk is voor baby's, hun ouders en de samenleving, dat we ons niet langer moeten afvragen of borstvoeding de moeite waard is. De vraag is nu geworden hoe we borstvoeding tot een succes kunnen maken. Volgens deze studie is een manier daartoe het Baby Friendly Hospital Initiative in elke instelling toe te passen.
Baby Friendly Hospital Initiative Improves Breastfeeding Initiation Rates in a US Hospital Setting: B.L. Philipp et al. Pediatrics vol 108-3, 677-681
Terug naar boven
De invoering van de Tien vuistregels heeft een positief effect op de borstvoedingspercentages. Dat is al eerder aangetoond (1). Maar voor die invoering moet je kunnen rekenen op deskundige professionals en jammer genoeg ontbreekt het hun nogal eens aan voldoende scholing, kennis en vaardigheid op borstvoedingsgebied (2).
In dit Italiaanse onderzoek naar borstvoeding en het Baby Friendly Hospital Initiative is gekeken naar het effect van training van de staf, zowel op de werkwijze in het ziekenhuis als op de borstvoedingspercentages. Het feit dat deze studie is gedaan in een West-Europees land met een hoge standaard van gezondheidszorg maakt de uitkomsten extra interessant voor ons land.
Acht ziekenhuizen namen deel aan het onderzoek, ingedeeld in twee groepen van vier met in elke groep een academisch ziekenhuis. In beide groepen werden drie maal gegevens verzameld met steeds een tussenpoos van een jaar. Deze gegevens hadden betrekking op drie aspecten: de invoering van de Tien vuistregels en de werkwijze in het ziekenhuis, de deskundigheid en kennis van de medewerkers en tenslotte de borstvoedingspercentages bij ontslag, met drie maanden en met zes maanden.
In de ene groep kregen de medewerkers een training na de eerste meting en in de andere groep ziekenhuizen een jaar later, na de tweede meting. De training bestond uit 18 uur, inclusief praktische oefeningen en vaardigheid in counseling, verdeeld over drie dagen, en werd gevolgd door 571 zorgverleners. Van de gynaecologen deed 54 % mee, van de kinderartsen 72 %, van de verloskundigen 84 % en van de verpleegkundigen 68 %. Bij kennistests scoorden ze beter dan voor het volgen van de training: 4,1 werd 7,2; de andere groep ging gemiddels van 5,3 naar 7,5.
In het begin van de studie werden nergens meer dan drie vuistregels in praktijk gebracht en na afloop was dat tussen de zes en de tien vuistregels.
Maar het belangrijkste zijn natuurlijk de borstvoedingsresultaten: hoe gaat het daarmee in de praktijk? In beide groepen (n=2669) kregen meer baby's bij ontslag uitsluitend borstvoeding; het gemiddelde percentage ging omhoog van 32 naar 75 %. Met drie maanden zie je een toename van 38,5 volledig borstvoeding in het begin naar 54,5 % aan het eind van de onderzoeksperiode. (In Nederland zitten we ondanks de positieve tendens - zie Goed Gevoed 2.4 - nog steeds laag met 32,4 % met drie maanden).
Door in beide groepen op een verschillend moment tijdens de onderzoeksperiode de bijscholing aan te bieden, konden de onderzoekers zien dat het effect niet in het jaar na een eerste verbetering toch weer teloorging. Anderzijds bleek ook dat verbetering wel degelijk samenhing met de trainingen en niet al optrad ten gevolge van een toevallige stijgende trend in de borstvoedingscijfers.
De onderzoekers besluiten hun artikel met een aantal aanbevelingen:
1. minimaal drie dagen effectieve scholing in borstvoedingsbegeleiding als vast onderdeel van het curriculum in alle zorgopleidingen,
2. aandacht voor een positiever beeld van borstvoeding in de samenleving
3. 'verdediging' van borstvoeding tegen de marketingtechnieken van de kunstvoedingsindustrie.
1. Baby Friendly Hospital Initiative Improves Breastfeeding Initiation Rates in a US Hospital Setting. B.L. Philipp et al. Pediatrics vol 108-3, 677-681 (zie GG 2.3)
Promotion of Breastfeeding Intervention Trial (PROBIT), A Randomized Trial in the Republic of Belarus. Michael S. Kramer et al. JAMA 2001; 285, 4: 413-420 (zie GG 2.1)
2. Pediatricians' practices and attitudes regarding breastfeeding promotion. RJ Schanler et al. Pediatrics 1999; 103: e35
Breastfeeding knowledge of hospital staffin rural maternity units in Ireland. GE Becker. J Hum Lact 1992; 8: 137-142
A closer look at breastfeeding in medical handbooks and teaching materials in the Netherlands. M Blaauw. Copenhagen/Amsterdam VU; 2000
Effect on rates of breast feeding of training for the Baby Friendly Hospital Initiative
Adriano Cattaneo, Roberto Buzzetti, BMJ vol 325; 1358-1362 2001
Terug naar boven