»
oprichting Landelijke Borstvoedingsraad (5 oktober 2012)»
Vijfde SBO congres (1 februari 2012)»
IBFAN-borstvoedingskalender 2013 (11 oktober 2011)»
15 jaar Zorg voor Borstvoeding (25 juli 2011)»
Discussie over Tepel-speenverwarring (23 maart 2011)»
Toon oude berichten
Op 25 september 2012 is het vijfde congres van de Samenwerkende Borstvoedingorganisaties (SBO) worden gehouden onder de titel'Borstvoeding bruist'. De teksten van de programma-onderdelen kunt u binnen vinden op
www.borstvoeding.nl
Gepost op: 1 februari 2012 Terug naar boven
De jaarlijkse borstvoedingskalender van IBFAN zal niet meer in een Nederlandse versie worden uitgegeven. Bij onze Belgische collega's is hij wel te bestellen. De prijs bedraagt €6.00 plus verzendkosten Zie
bestellingen@vbbb.be
Gepost op: 11 oktober 2011 Terug naar boven
Kijk op de pagina Goed Gevoed van deze site en lees daar in het julinummer meer over de viering van 15 jaar Zorg voor Borstvoeding.
Gepost op: 25 juli 2011 Terug naar boven
Caterina Band IBCLC MSN, Adrienne de Reede, stichting Zorg voor Borstvoeding
In het artikel van Winkel en Boluyt dat in maart 2011 verscheen in Praktische Pediatrie worden niet alleen vraagtekens gezet bij de wetenschappelijke onderbouwing van vuistregel 6 en 9, ook worden er stellige uitspraken gedaan die aanbevelen zonder terughoudendheid gebruik te maken van fles en/of fopspeen. Het spreekt voor zich dat het artikel veel commotie teweeg heeft gebracht in zowel ziekenhuizen als lactatiekundige kringen. Zorg voor Borstvoeding, in Nederland verantwoordelijk voor het uitdragen van het WHO/Unicef Baby Friendly Hospital Initiative, wil middels deze reactie het door Winkel en Boluyt gestelde nuanceren dan wel weerleggen.
In het artikel wordt ten onrechte vuistregel 6 opgevoerd. Dit wekt de indruk dat het onderscheid tussen de vuistregels 6 en 9 Winkel en Boluyt niet duidelijk is. Vuistregel 6 stelt dat pasgeborenen geen andere voeding dan borstvoeding krijgen, noch extra vocht, tenzij op medische indicatie. Indien bijvoeding noodzakelijk geacht wordt, is de eerste logische keuze om zo mogelijk afgekolfde moedermelk te gebruiken: bijvoeden = afkolven. Winkel en Boluyt schetsen geen duidelijk beeld van de verschillende interventies. Ter beantwoording van het laatste gedeelte van vraag 1 (slaagt (exclusieve)borstvoeding beter (bij een groter percentage vrouwen) en langer……… als er geen andere voeding dan borstvoeding wordt gegeven) wordt geen relevante literatuur besproken. Vuistregel 6 laten zij dus in feite buiten beschouwing.
Rest vuistregel 9, speen en fopspeen: bij vraag 2 van Winkel en Boluyt (slaagt (exclusieve) borstvoeding beter (bij een groter percentage vrouwen) en langer als een speen niet (te vroeg) wordt geïntroduceerd), geven zij overigens niet aan of zij hier een flessenspeen of fopspeen bedoelen. De stellige wijze waarop Winkel en Boluyt hun conclusies trekken met betrekking tot speen- en fopspeengebruik staat in schril contrast met de beschikbare onderzoeksgegevens. De beperkingen van de diverse onderzoeken zijn in hun artikel niet meegenomen en de onderzoeken zijn dusdanig divers dat de vraag is of men er eenduidige conclusies uit mag trekken.
Zo beschrijft het onderzoek van Collins alleen het effect van fopspenen bij premature baby’s en niet bij voldragen kinderen en in het onderzoek van Schubinger waren alleen de gegevens over de toedieningwijze van bijvoeding (gedurende vijf dagen) bij a terme baby’s bruikbaar. In beide onderzoeken hield een aanzienlijk aantal moeders in de experimentele groep zich niet aan het advies van ‘geen fopspeen’ (Collins et al en Schubinger et al) of van ‘alleen cup’ (Collins et al). Gezien de grote uitval in beide experimentele groepen moet men zich afvragen wat de waarde nog is van de conclusie dat er geen significant verschil te zien is in borstvoedingsresultaat. Collins geeft dat ook zelf aan, maar voegt over cupfeeding toe: the use of cups signifcantly increased the proportion of infants discharged home fully breast feeding even with the high non-compliance. De ervaring in ons land is niet dat de opnameduur bij cupfeeding aanzienlijk langer is.
Zoals blijkt uit het artikel van Kramer et al zou het gebruik van de fopspeen een marker kunnen zijn voor onderliggende problemen zoals bijvoorbeeld pijn bij het voeden (het onderzoek van Kramer et al wordt overigens besproken onder het kopje ‘Effecten van de toedieningwijze………’). Deze onderliggende borstvoedingproblemen treden het meest op in de eerste weken postpartum (Li et al, 2008). Vandaar dat wordt aanbevolen om te wachten met de introductie van een fopspeen tot de borstvoeding goed op gang is en verder probleemloos verloopt. De auteurs geven aan dat de fopspeen gemakkelijk is bij het troosten van de baby. Jammer genoeg vergeten zij dat de moeder deze troost ook kan bieden door haar baby aan te leggen, waardoor zij een frequent optredend borstvoedingprobleem als geringe melkproductie voorkomt. Op veel neonatologieafdelingen in Nederland is voeden op verzoek voor onder andere de kortdurend opgenomen a terme baby nog geen gemeengoed. Men moet ervoor waken dat de baby de fopspeen krijgt voordat de borst aangeboden is.
De bepaling van vuistregel 9 met betrekking tot de fopspeen is overigens nadrukkelijk bedoeld voor gezonde, a terme pasgeborenen. Voor premature baby’s die langdurig zijn opgenomen en voor wie de directe nabijheid van de moeder niet vanzelfsprekend is, is fopspeengebruik in het kader van de BFHI certificering volkomen geaccepteerd.
Zorg voor Borstvoeding kijkt bij haar beoordeling van de toepassing van vuistregel 9 naar verschillende aspecten. Gezonde pasgeborenen horen geen fopspeen te krijgen zolang de borstvoeding nog niet op gang is; het verstoort het vraag en aanbod principe. Bijvoeding voor de gezonde pasgeborene is meestal niet lang nodig en alternatieve bijvoedingmethoden zijn goed te realiseren. Howard et al tonen in het onderzoek, dat Winkel en Boluyt citeren, aan dat bijvoeding met de fles voor sectiokinderen leidt tot een kortere borstvoedingsduur, evenals voor kinderen die meer dan twee keer bijvoeding krijgen. Zij concluderen dan ook: .. these findings support recommendations by the Baby Friendly Hospital Initiative to use cupfeeding as the method of choice when providing supplemental feedings. Het is verbazingwekkend hoe en waarom Winkel en Boluyt tot een conclusie komen die diametraal staat tegenover die van de onderzoekers zelf. Zolang het effect van de flessenspeen op zijn minst niet eenduidig uit onderzoek naar voren komt, kan deze het best vermeden worden.
Voor de kinderen die opgenomen zijn op de neonatologieafdeling hanteert Zorg voor Borstvoeding andere criteria. Bij deze (premature) baby’s wordt gekeken of ze de gelegenheid krijgen om te oefenen aan de borst, zodat ze daar al ervaring opdoen met orale voeding voordat ze wennen aan de fles. Begeleiding op basis van het Tien-stappenplan ‘Borstvoeding voor prematuren’ geeft de ouders houvast. Daarnaast wordt beoordeeld of er een uniform beleid gehanteerd wordt indien de fles wordt geïntroduceerd. In sommige instellingen ontbreekt deze uniformiteit in zijn geheel, hetgeen tot verwarring en onzekerheid kan leiden bij de moeder. In andere instellingen wordt de ouders een bepaald type fles aanbevolen zonder dat dit enige wetenschappelijke basis heeft.
Het is goed dat de auteurs de wetenschappelijke onderbouwing van vuistregel 9 ter discussie stellen. Het is spijtig dat de conclusies die zij trekken niet genuanceerd zijn en mogelijk schade doen aan de zorgvuldig opgebouwde praktijk in vele Nederlandse ziekenhuizen, waaronder de gecertificeerde ziekenhuizen waar zij zelf werkzaam zijn. Uitgaande van het feit dat borstvoeding de norm is en onderzoeksresultaten nog niet eenduidig zijn, doet men er goed aan terughoudend te zijn met de fles en fopspeen: primum est non nocere.
Collins CT et al. Effect of bottles, cups and dummies on breastfeeding in preterm infants: a randomized controlled trial. BMJ. 2004;239:193-8
Howard CR et al. Randomized clinical trial of pacifieruse and bottle0feeding or cupfeeding and their effect on breastfeeding. Pediatrics. 2003;111:511-8
Kramer MS et al. Pacifier use, early weaning and cry-fuss behavior. JAMA. 2001;286:322-6
O’Connor MR et al. Pacifiers and breastfeeding. ArchPediatr Adolesc Med.2009;163:378-82
Ruowei Li, Sara B. Fein, Jian Chen and Laurence M. Grummer-Strawn.Why Mothers Stop Breastfeeding: Mothers' Self-reported Reasons for Stopping During the First Year. Pediatrics 2008;122;S69-S76
Schubiger G et. Unicef/WHO: baby friendly hospital initiative: does the use of bottles and pacifiersin the neonatal nurseryprevent successful breastfeeding? Eur j Pediatr.1997,156:874-77
Gepost op: 23 maart 2011 Terug naar boven